Wat vind u van het feit dat u bent uitgeroepen tot eerste stadsdichter van Roosendaal?
“Het is eerlijk gezegd een bijzondere eer. Ik heb eraan meegedaan omdat ik graag gedichten maak. Mijn verbazing was groot toen ik hoorde dat ik genomineerd was. Die verbazing werd alleen maar groter toen bleek dat ik had gewonnen en dat ik drie mannen had verslagen. In eerste instantie was ik vol ongeloof, maar daarna besefte ik dat het een hele eer is.”
Tijdens de uitreiking omschreef de jury uw stijl als ‘toegankelijk’ en ‘herkenbaar’. Bent u het eens met die typeringen
?“Ik ben geen fan van ingewikkelde constructies en verschrikkelijk moeilijke woorden die je moet opzoeken in een woordenboek. Ik houd ervan om gevoel in mijn gedichten te leggen en ik wil ze inderdaad graag toegankelijk en herkenbaar houden, zodat mensen het in een keer begrijpen. Bovendien probeer ik altijd wel een beetje humor in de gedichten te brengen en een beetje te relativeren. We zijn immers allemaal mensen, dus blijf met beide benen op de grond staan.”
Hoe ontstaat bij u de inspiratie voor een nieuw gedicht?
“Daar kan ik een heel recent voorbeeld van geven. Vanochtend kreeg ik een mailtje van iemand die op zoek is naar een liedtekst over sport. Toen ik na het lezen van die mail onderweg was naar de supermarkt schoten me allerlei dingen te binnen. Die schrijf ik dan meteen op en zo verzamel ik een aantal zinnen. Dat proces van de eerste opzet gaat eigenlijk vrij snel. Daarna komt de fase van het verfijnen, het kiezen van andere bewoordingen of het toevoegen van diepgang. Met die fase kan ik eindeloos doorgaan. Vaak moet ik mezelf er echt toe zetten om die fase af te sluiten en het gedicht van me af te zetten. Een gedicht is eigenlijk nooit af, maar je moet er een keer vrede mee hebben.”
U komt oorspronkelijk niet uit Roosendaal maar uit Edam. Denkt u dat dat een belemmering vormt voor een stadsdichter?
“Nee, absoluut niet. Ik heb tijdens het gesprek op de nominatieavond meteen gezegd dat ik uit Edam kom, maar al sinds 1970 in Roosendaal woon. Ik woon dus al best lang in Roosendaal en ik leef inmiddels mee met de mensen hier. Toch ben ik wel een beetje bezorgd om Roosendaal en dat probeer ik in mijn gedichten te laten merken. Het is denk ik geen belemmering, anders was ik waarschijnlijk ook niet gekozen.”
U schreef uw eerste gedichten toen u dertien was. Waarom begon u ermee?
“Wij hadden thuis een boek waarin onder andere een gedicht stond getiteld ‘Philemon’. Dat gedicht telt 48 coupletjes. Toen ik het las vond ik dat gedicht zo geweldig dat ik dacht: ik zou willen dat ik dat kon. Tollens schreef ook in die nuchtere stijl, dat vond ik prachtig. Ik schreef destijds op school al graag opstellen en verhaaltjes voor mezelf, dus ik was heel erg bezig met schrijven. Ik vond het verschrikkelijk leuk om met taal te spelen.”
In 2004 verscheen uw eerste boek, een kinderboek. Is het schrijven van kinderboeken door het stadsdichterschap op de achtergrond gekomen?
“Op mijn computer heb ik ideeën voor een nieuw kinderboek staan. Daarnaast heb ik ontzettend veel gedichten voor volwassenen. Mijn verkiezing als stadsdichter zorgt er wel voor dat ik dat eerst prioriteit geef. Mijn ambitie is wel om in de komende twee jaar een gedichtenbundel voor volwassenen uit te brengen.”
Over twee jaar loopt uw termijn als stadsdichter af. Heeft u al nagedacht over de vraag wie u moet opvolgen?
“Over een opvolger heb ik eigenlijk nog niet nagedacht. Voor mij is het voordeel dat ik met niemand vergeleken kan worden vanwege het feit dat ik de eerste stadsdichter ben. Mijn opvolger kan wel met mij vergeleken worden, dus die kan het beter, slechter of anders doen. Slechter doe je het eigenlijk nooit, maar je doet het altijd anders. Mijn opvolger moet ook niet hetzelfde zijn, dat zou saai worden.”
Welke doelen heeft u uzelf gesteld voor de komende twee jaar?
“De komende twee jaar ben ik van plan om verschillende constructies te gaan gebruiken. Je hebt bijvoorbeeld ollekebollekes, elfjes, kwatrijnen of sonnetten. Per gelegenheid wil ik een aparte vorm zoeken en aan de hand daarvan een gedicht schrijven. Dat is vooral bedoeld voor de variatie. Verder wil ik het dichten graag dichter bij de mensen brengen. Er zijn nu misschien tweeduizend Roosendalers die van het stadsdichterschap weten. Ik wil dat aantal geïnteresseerden eigenlijk vertienvoudigen, zodat ik na die twee jaar kan zeggen dat ik wat heb betekend voor de stad.”

1 reacties:
Mooi interview! Daar kunnen veel mensen (zoals ik) nog heel wat van leren.
Complimenten! ;)
Een reactie posten